Page content

Klimaatneutrale woningvoorraad in 2050

Onlangs heeft het Planbureau voor de Leefomgeving het rapport uitgebracht ‘Op weg naar een klimaatneutrale woningvoorraad in 2050’. Het rapport laat vier scenario’s zien voor een kosteneffectieve energievoorziening die kunnen leiden tot een klimaatneutrale woningvoorraad in 2050. 

In de samenvatting van het rapport lezen we: ‘Energiebesparing kan de CO2-uitstoot van de warmtevraag met 50 tot 80 procent verminderen in 2050 ten opzichte van 2010. De CO2-uitstoot halveert door 300.000 woningen per jaar te renoveren met de nu gangbare energiebesparingsmaatregelen. In 2035 zijn dan alle woningen minimaal één keer gerenoveerd waarna de meeste woningen nog een keer worden gerenoveerd met energiebesparingsmaatregelen die dan goedkoper zijn geworden. De CO2-uitstoot neemt met 80 procent af wanneer woningen meer ingrijpend met diepgaander energiebesparing worden gerenoveerd. Met deze ‘diepgaande energiebesparingsroute’ worden alle woningen in de periode tot 2050 een keer gerenoveerd tijdens een moment van groot onderhoud. De helft van de huidige woningen is dan in 2050 vergaand geïsoleerd, waarbij ze in de eigen warmtevraag voorzien met zonne-energie. De overige gerenoveerde woningen hebben in 2050 een energielabel B.

Het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving

Het rapport van het Planbureau voor de Leefomgeving

De gangbare energiebesparingsroute is financieel voordelig voor woningeigenaren, maar de diepgaande energiebesparingsroute niet tenzij er een sterke technologieontwikkeling plaatsvindt. Voor de samenleving als geheel leveren geen van beide routes een financieel voordeel op tenzij de sterke technologieontwikkeling plaatsvindt.

Om de resterende CO2-uitstoot verder terug te dringen met decentrale energieopties, is een maximale inzet nodig van warmtenetten en groen gas. Verder moet minimaal de helft van het dakoppervlak van alle woningen worden bedekt met zonnepanelen om ook de elektriciteitsvraag klimaatneutraal te kunnen maken.’

De vier scenario's naast elkaar en de te bereiken effecten op gebied van energiebesparing

De vier scenario’s naast elkaar en de te bereiken effecten op gebied van energiebesparing

Vier investeringsroutes naar een klimaatneutrale woningvoorraad

Voor deze studie zijn de mogelijkheden en kosten verkend van vier investeringsroutes die in 2050 kunnen leiden tot een klimaatneutrale woningvoorraad. ‘Klimaatneutraal’ wil zeggen dat de woningvoorraad geen CO2 uitstoot of de uitstoot compenseert door een vergelijkbare hoeveelheid CO2 bij een andere sector te vermijden; compenseren kan door de opwekking en levering van hernieuwbare energie aan een andere sector. Het gaat er dus niet om dat huishoudens CO2-arme energie van elders betrekken, maar dat ze die zelf in hun woning of directe woonomgeving opwekken. Bij de investeringsroutes (of -paden) gaat het om investeringen in energiebesparing en decentrale energieopwekking die tot 2050 jaarlijks worden genomen. De paden verschillen in tempo en diepgang van de energiebesparing en omvang van decentrale energieopwekking.

Samengevat hebben de investeringsroutes wat betreft de energiebesparing de volgende kenmerken:

  • In het eerste investeringspad (‘Beperkt’) bestaat de diepgang van de energiebesparing per woning uit labelsprongen die momenteel gangbaar zijn (2 labels omhoog en/of tot energielabel B), maar ligt het renovatietempo van de woningvoorraad iets lager dan in de afgelopen jaren.
  • In het tweede investeringspad (‘Breed’) is de diepgang per woning tot 2030 vergelijkbaar met die van het eerste pad, maar is het renovatietempo een- tot tweemaal zo hoog als in de afgelopen jaren. Hierdoor zijn omstreeks 2035 bijna alle woningen gerenoveerd. Daarna wordt een deel van de woningen op een natuurlijk moment voor grootschalig onderhoud (eens in de 30 à 40 jaar) opnieuw gerenoveerd met een verdergaande energieverbetering.
  • In het derde investeringspad (‘Diep’) worden in de periode tot 2050 alle woningen slechts eenmaal diepgaand gerenoveerd, dat wil zeggen met een zo groot mogelijke energieverbetering. Omdat het om ingrijpende renovaties gaat, gebeurt dat op een natuurlijk moment voor grootschalig onderhoud. Het gaat daarbij om een verbetering naar energielabel B of naar energielabel Eigenwarmte (wat betekent dat de woning in de eigen warmte voorziet zonder CO2-uitstoot te veroorzaken). Het aandeel renovaties naar energielabel Eigenwarmte neemt geleidelijk aan toe. In 2050 is dan 55 procent van de huidige woningvoorraad een Eigenwarmte-woning en 42 procent een label B-woning. Verondersteld is dat de huidige label A-woningen (3 procent) niet worden gerenoveerd.
  • Het vierde investeringspad (‘Gefaseerd diep’) verschilt van het derde doordat voor 2030 bij de renovaties naar label Eigenwarmte alleen aan isolatieverbetering wordt gedaan. Dit beperkt de investeringskosten, omdat de relatief duurdere warmte-installatiemaatregelen niet worden genomen. Na 2030 worden deze maatregelen wel genomen bij renovaties naar label Eigenwarmte. Verondersteld is dat de kosten dan zijn gedaald onder invloed van technologieontwikkeling.

De warmtevraag die na de energiebesparing resteert, bepaalt de voor een klimaatneutraal resultaat benodigde investeringen in decentrale energieopwekking. Deze restvraag naar warmte verschilt tussen de investeringspaden. De opties die voor decentrale energieopwekking zijn beschouwd, zijn warmtenetten voor de benutting van restwarmte, geothermie, warmtekrachtkoppeling (WKK) en lokaal geproduceerd gas uit biologisch afval en reststromen.

De te bereiken CO2 reductie bij de verschillende scenario's

De te bereiken CO2 reductie bij de verschillende scenario’s

De vier investeringspaden

Voor deze studie zijn de mogelijkheden en kosten verkend van vier investeringsroutes die in 2050 kunnen leiden tot een klimaatneutrale woningvoorraad. De investeringen zijn opgesplitst in maatregelen voor energiebesparing en decentrale energieopwekking.

Investeren in energiebesparing

De investeringsroutes verschillen in het renovatietempo en de diepgang van de energiebesparing. Bij het tempo gaat het om het aantal woningen dat per jaar wordt gerenoveerd. Vanwege het ingrijpende karakter en de kosten is er bij grote energieverbeteringen voor gekozen om het renovatietempo te laten aansluiten bij natuurlijke momenten voor grootschalig onderhoud (eenmaal in de 30 à 40 jaar). De diepgang van de maatregelen heeft betrekking op de mate van energiebesparing en wordt uitgedrukt in energielabelsprongen.

De belangrijkste maatregelen om te besparen op de energievraag zijn het verbeteren van de isolatie van de woning, het verwarmen van warm tapwater met een zonneboiler en een efficiëntere ruimteverwarming met een elektrische warmtepomp. Daarbij kan de benodigde elektriciteit voor de warmtepomp met hernieuwbare energie worden opgewekt, bijvoorbeeld door zonnepanelen die op het dak of aan de gevel van de woning worden geïnstalleerd.

De meest kosteneffectieve maatregel is nog steeds isoleren

De meest kosteneffectieve maatregel is nog steeds isoleren

In de praktijk wordt de energiekwaliteit van de woning uitgedrukt in energielabels met de letters G tot en met A. Bij een woning met energielabel G zijn nog geen energiemaatregelen genomen, bij label A-woningen zijn de momenteel gangbare maatregelen al getroffen. Een innovatieve technologie, waarbij de woning nog beter wordt geïsoleerd dan bij energielabel A en van een eigen warmte-installatie wordt voorzien, is in opkomst. De warmte-installatie is daarbij een elektrische warmtepomp met een lagetemperatuurafgiftesysteem (vloerverwarming en/of grote radiatoren). De stroom die de elektrische warmtepomp gebruikt, kan (op jaarbasis) worden opgewekt met zonnepanelen. Een woning die op een dergelijke wijze in de eigen warmte voorziet zonder CO2-uitstoot te veroorzaken, noemen we in dit rapport een woning met energielabel Eigenwarmte.

De verdeling nu en in de toekomst over de verschillende energie labels

De verdeling nu en in de toekomst over de verschillende energie labels

Voor alle energiebesparingsmaatregelen zijn de effecten op de investeringskosten ingeschat van de ontwikkeling van de technologie, schaarste van materiaal en arbeidskosten. We veronderstellen dat de investeringskosten van een woningverbetering naar label Eigenwarmte in de loop van de tijd sneller dalen dan die van de overige woningverbeteringen, omdat het in het eerste geval gaat om relatief nieuwe innovatieve technieken waarmee nog weinig ervaring is opgedaan. Technologieontwikkeling, opschaling naar massaproductie en prefabricatie kunnen hier nog voor een substantiële daling van de investeringskosten zorgen. De overige woningverbeteringen met labelsprongen naar maximaal label B zijn al enige jaren gangbaar. Omdat er al ruimschoots ervaring mee is opgedaan, zullen de kosten van de gangbare maatregelen in de toekomstig nog maar beperkt dalen.

De investeringsroutes kunnen worden vergeleken met het bestaande beleid. Investeringspad Beperkt komt overeen met een ten opzichte van het bestaande beleid ‘laisser faire’-achtige beleidsinspanning. De route Breed sluit aan bij de doelstelling van de nationale aanpak voor energiebesparing in de bestaande woningvoorraad ‘Meer met minder’ (300.000 woningen per jaar met twee labelsprongen verbeteren). Investeringspad Diep betekent mogelijk een intensivering van het beleid richting innovatieve technieken met een diepgaander energiebesparing, omdat alle bestaande woningen diepgaand, op een natuurlijk moment en uiterlijk in 2050, zijn gerenoveerd. Met Gefaseerd diep, ten slotte, wordt onderzocht of het financieel voordelig kan zijn om de duurste maatregelen van investeringspad Diep uit te stellen.

De te behalen besparing tegenover de kosten van de maatregelen

De te behalen besparing tegenover de kosten van de maatregelen

Investeren in decentrale energieopwekking

De warmtevraag die na de energiebesparing resteert, bepaalt de voor een klimaatneutraal resultaat benodigde investeringen in decentrale energieopwekking. Deze restvraag naar warmte verschilt tussen de investeringspaden. De opties die bij decentrale energieopwekking zijn beschouwd, zijn warmtenetten voor de benutting van restwarmte, geothermie, warmtekrachtkoppeling (WKK) in de wijk en lokaal geproduceerd gas uit biologisch afval en reststromen. Het lokaal geproduceerde biogas kan worden ingezet in de wijk-WKK, die via een lokaal netwerk warmte levert aan de woningen in de wijk. Het biogas kan ook worden opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit, waardoor het als ‘groen gas’ kan worden ingezet in het aardgasnet zonder dat aanpassingen nodig zijn van leidingen en installaties als gasfornuizen. Het groene gas, dat het aardgas vervangt, kan worden ingevoerd in het bestaande lokale of landelijke aardgasnet. We gaan in het onderzoek uit van een CO2-neutraal gebruik van groen gas in het lokale aardgasnet, en rekenen de uitgespaarde CO2-uitstoot door de vervanging van aardgas toe aan de gebouwde omgeving.

Daarnaast worden zonnepanelen ingezet om te voorzien in de elektriciteitsvraag van huishoudelijke apparaten. Zonnepanelen kunnen ook worden ingezet als ‘sluitpost’ wanneer de overige opties van decentrale energieopwekking de resterende CO2-uitstoot van de warmtevraag niet kunnen dekken: het tekort aan CO2-reductie wordt dan gecompenseerd door de stroom van de zonnepanelen aan andere sectoren te leveren, bijvoorbeeld transport (elektrische auto) en industrie. In hoeverre de elektriciteit uit zonnepanelen inpasbaar is in het bestaande elektriciteitsnet, is buiten beschouwing gelaten.

Zijn de meerkosten kosteneffectief?

Zijn de meerkosten kosteneffectief?

Conclusie

Een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050. Om deze doelstelling te halen, zijn op grote schaal investeringen nodig in energiebesparing en decentrale energieopwekking. Investeringen in momenteel al veel toegepaste energiebesparing kunnen de CO2-uitstoot van de warmtevraag in 2050 verminderen met 50 procent, terwijl zij tevens financieel gunstig zijn voor woningeigenaren. Alternatieve investeringen waarbij de woningen meer ingrijpend worden gerenoveerd, kunnen de CO2-uitstoot van de warmtevraag nog sterker verminderen, tot wel 80 procent in 2050, maar zonder financieel voordeel. Voor de samenleving leveren beide routes alleen een financieel voordeel op als de investeringskosten sterk dalen. Om de resterende energievraag volledig klimaatneutraal te maken met decentrale energieopwekking, moet minimaal de helft van het dakoppervlak van woningen worden bedekt met zonnepanelen.

Om de resterende CO2 reductie te bereiken tot klimaatneutraal, betekent dat de helft van de Nederlandse daken met PV belegd moeten worden

Om de resterende CO2 reductie te bereiken tot klimaatneutraal, betekent dat de helft van de Nederlandse daken met PV belegd moeten worden

Bron: Planbureau voor de leefomgeving

Comment Section

0 reacties op “Klimaatneutrale woningvoorraad in 2050


Door Henk Slijp op 12 maart 2014

Zodra er zonne-energie producten op de markt komen met veel hogere rendementen per m² en het probleem van individuele elektra-opslag wordt opgelost, zijn de uitgangspunten van bovenstaand onderzoek achterhaald. Een nieuw onderzoek zal volledig andere resultaten opleveren.
Als huishoudens zelf ruim in hun elektrabehoefte kunnen voorzien (inclusief opslag), zal gas als warmtebron in woningen snel worden vervangen door elektra.

Plaats een reactie


*