Page content

Dierenwelzijn en de bio-industrie 2

In een vorige blog heb ik de eerste 11 grondrechten van gedomesticeerde dieren besproken, zoals ze in de basis door Marieke de Vrij zijn geformuleerd. Marieke de Vrij is een spirituele zieneres die zich onder andere sterk met dierenwelzijn bezighoud. Hier volgt de tweede serie van 11 grondrechten van gedomesticeerde dieren. De voorbeelden ter verduidelijking komen uit de bio-industrie en laten zien hoe wij mensen deze grondrechten, die eigenlijk vanzelfsprekend zouden moeten zijn, met voeten treden omdat we deze dieren als productiemiddelen zien, in plaats van als mede schepselen.

 12. Het recht op natuurlijke, kenmerkende leeftijdsfasen

Het gemiddelde consumptiedier haalt vaak niet eens 1/6 van zijn natuurlijk gemiddelde leeftijd. Dit heeft als gevolg dat er onvoldoende inlevingsvermogen bestaat op het niveau van alle leeftijdscategorieën die voor het dier haalbaar zijn. Versterkte degeneratie en de langdurig doorwerkende gevolgen van inteelt kunnen onvoldoende waargenomen worden.

Een mannetjeskalf wordt gemiddeld 3 maanden, terwijl een volwassen stier 17 tot 18 jaar kan worden. Een ander voorbeeld is de fokzeug. Door de wijze waarop er met hen wordt omgesprongen, zijn de dieren binnen twee tot twee en half jaar ‘opgebrand’ en worden vervangen door weer ‘verse dieren’. De geschatte levensduur voor varkens onder natuurlijke omstandigheden is 12 tot 15 jaar. Een kip kan normaliter ongeveer 7 jaar oud worden.

13. Het recht op gezondheidsbevorderende omstandigheden

Bij voldoende ruimte voor dieren om te leven, wordt de doorbloeding en het spierstelsel versterkt door de natuurlijke bewegingsloop. Echter in de pluimvee- en varkenssector is er een strijd gaande tussen de overheid als wetgever en de sector om met zo krap mogelijk bemeten ruimte, zoveel mogelijk dieren te ‘huisvesten’. Een strijd die over vierkante centimeters gaat.

Zo was in de leghenhouderij, per hen de beschikbare ruimte zo beperkt, dat een groot aantal voor een kip normale gedragingen niet mogelijk zijn, zoals geheel rechtop staan, allerlei rek- en  strekbewegingen, het slaan met de vleugels, het innemen van afstand tot een ander dier etc. Dan kunnen ze geen stofbad nemen, is er geen legnest aanwezig en ontbreek het aan een zitstok. Aangezien men nu uit ‘jarenlang’ onderzoek heeft geconstateerd dat dit het welzijn van de dieren ernstig schaadt, is in juli 1999 Europese regelgeving tot stand gekomen, die de leghenbatterij in zijn huidige vorm verboden heeft  vanaf 1 januari 2012.

Een ander macaber voorbeeld is de fokzeug in de ligbox van 55-65 breed en 180-190 cm lang. Tussen dit hekwerk in kan het dier slechts staan, zich niet keren en om te gaan liggen, moet het zich laten vallen en steken zijn poten uit tegen het aangrenzende dier.

14. Het recht om afweerstoffen natuurlijk op te kunnen bouwen

Een voorbeeld hiervan is dat gemiddeld het sterfterisico bij een mond en klauwzeer uitbraak 5% van de besmette dieren is, als de ziekte normaal zou kunnen uitwoeden. Bovendien zouden de overgebleven dieren meer resistent zijn geworden.

15. Het recht op natuurlijke voortplantingsrituelen en ritmes

Sommige topkoeien in de V.S. worden dusdanig met hormonen bewerkt om tijdens een enkele eisprong 10-15 eitjes te produceren. Deze worden vervolgens verwijderd en kunstmatig bevrucht, naar Nederland vervoerd in een levend konijn, om hier middels draagmoederschap van koeien, kalveren te produceren. Deze koeien zijn eveneens via hormonale toediening daarop voorbereid.

Ten gevolge van de huisvesting en de hoge reproductie-eisen, ontstaat er bij fokzeugen een chronische stress die negatief inwerkt op de vruchtbaarheid en de bronstigheid van de fokzeugen. Ten gevolge hiervan is het in de varkenshouderij regel dat de fokzeugen met hormoonpreparaten worden ingespoten om weer bronstig te worden en om vroegtijdig drachtig te worden. Hetgeen bij zoogdieren o.a. tot verslapping van het buikweefsel leidt. Als extra ‘productievoordeel’ wordt gezien dat door toediening van deze preparaten en kunstmatige inseminatie, dieren synchroon bevrucht kunnen worden in ‘productiegroepen’, zodat de varkenshouderij zo effectief mogelijk gemaakt wordt.

Biggen worden na 3 tot 4 weken ‘gespeend’ (van de zeug weggehaald), bij een natuurlijk proces zou tot 10 weken zijn. Doordat de biggen op veel te jonge leeftijd over moeten gaan naar vast voer, leidt dat tot grote verstoring van hun maagdarmstelsel. De biggen krijgen o.a. last van ‘speendiarree’. Door middel van antibiotica, groeibevorderaars en zink- en koperproducten, worden deze symptomen bestreden. Dit heeft weer gevolgen voor de volksgezondheid. Bij zeugen die in familieverband zijn opgegroeid worden minder biggetjes doodgedrukt.

Bij kippen veronderstelt men dat pikken en kannibalisme minder voorkomt als een kuiken het sociale gedrag van de hen kan imiteren.

16. Het recht op het ontwikkelen van bestaansrecht en soortidentiteit

Wil het dier overeenkomstig zijn aard en identiteit op een gezonde evenwichtige wijze voortleven en een goed nageslacht voortbrengen, dan is het van wezenlijk belang dat het na de geboorte gekoesterd en bemind kan worden door zijn ouders c.q. het moederdier. Vanuit de menselijke productiedrang wordt dit honderden miljoenen dieren in Nederland ontzegd.

17. Het recht op rouwverwerking

Op dit moment worden op grote schaal en op grove wijze jonge dieren bij de ouder(s) weggehaald, zonder ruimte voor rouwverwerking. Zowel voor het jong als voor de ouder(s) heeft dit wezenlijke gevolgen voor de gezondheid en identiteit van de soort. De familie- en groepsverbanden worden oneigenlijk en onnatuurlijk doorbroken, zoals bij varkens, die van nature in familiegroepen leven.

Daarnaast bestaat de collectieve rouw omtrent vervroegd levensverlies.

18. Het recht op zelfoverleving

In abattoirs vinden zeer emotionele, dramatische taferelen plaats, gepaard gaande met heftige angstgevoelens bij de dieren. Dieren die zich werkelijk schikken om te sterven ervaren natuurlijke offerbereidheid hieraan. Wanneer het dier zich niet schikt gaan we voorbij aan zijn eigen bewustzijnsrecht.

19. Het recht op afzien van onnodige offerbereidheid

In alle sectoren van de intensieve veehouderij (vooral in de kippen- en varkenshouderij) worden dieren op grote schaal misbruikt en opgeofferd. Xenotransplantatie is een bekend voorbeeld van inbreuk op dit recht. Als voorbeeld het doneren van hartkleppen van varkens aan menselijke patiënten.

In de pluimveesector worden b.v. slachtkuiken ouderdieren op aparte bedrijven gehouden. Dit zijn de dieren die de eieren produceren waaruit de vleeskuikens geboren worden. Om een zo groot mogelijke eierproductie te verkrijgen (10,1 miljard eieren per jaar) worden slachtkuiken ouderdieren, om vervetting, skeletmisvormingen, hart- en longproblemen tegen te gaan, op rantsoen gezet. Hun rantsoen is 40% van wat ze normaal zouden eten. Het gevolg is dat de dieren honger lijden en afwijkend gedrag gaan vertonen zoals agressie, stereotypieën en verenpikken. Bij kuikens wordt, om huidbeschadigingen bij de andere dieren te voorkomen, onverdoofd een stuk van de snavel gekapt (weggebrand). Dit gebied is zeer sensitief gevoelig voor het kuiken. Beschadigingen bij andere dieren geschiedt voornamelijk door overmatige stress en overbevolkte leefomstandigheden.

20. Het recht op ras- en geslachtsidentiteit

In alle sectoren van de intensieve veehouderij is men erop gericht om door eenzijdige selectie door middel van kruising en genetische manipulatie van rassen, het meest productieve dier qua vlees- of eierenproductie te ontwikkelen. In de pluimveesector is men daarin het verste gevorderd. Het vleeskuiken is hiervan een macaber voorbeeld. In de veehouderij is de dikbilkoe een ander voorbeeld van rasmanipulatie.

21. Het recht op goede vervoerscondities

Jonge mannelijke biggen worden onverdoofd gecastreerd om daarna dicht opeengepakt naar Italië vervoerd te worden om verwerkt te worden tot Parma ham.

In de vleeskuikensector wordt voor het vangen, laden en transporteren van de vleeskuikens gebruik gemaakt van een z.g.n. containersysteem. Dit systeem voorkomt dat tijdens het transport of vangen van de dieren, een groot aantal dieren door stress doodgaat of verminkt aan de slachterij afgeleverd wordt (effectief resultaat 50% minder gedode dan wel beschadigde dieren). In feite is hiermede het dierenwelzijn gediend, echter het systeem werd uitsluitend om economische redenen ontwikkeld. Elk dood of beschadigd dier kost geld.

22. Het recht op een waardige dood

Indien er voor het dier geen dierenlogica is op de wijze van zijn sterven, wordt de ziel mee getraumatiseerd. Zo zijn er in Nederland in een zeer korte periode bij de Mond- en klauwzeer uitbraak in totaal 280 duizend dieren gedood binnen alle leeftijdsfasen zonder bestaande dierenlogica voor hen. Dit heeft voor het collectieve zielenveld ernstige gevolgen. Dieren logica ontstaat op basis van natuurlijk ingevingsinstinct, bijvoorbeeld als het dier gedood wordt door hongersnood of ten prooi valt aan een sterker dier. Door gebruik te maken van rituelen voor slachting, is de dood voor een dier minder schrikwekkend en pijnlijk, waardoor het onstoffelijk lichaam van het dier zich gemakkelijker los kan maken van het stoffelijk lichaam. Er zijn nu vormen van slachting die het dier op zielsniveau beschadigen, zoals b.v. de koe die bij de slachterij voor doding tussen zijn ogen geschoten wordt (in zijn ’derde oog’ hetgeen een zielsorgaan is). Dit heeft tot gevolg dat het ziele-lichaam beschadigd wordt.

De mens stelt zijn consumptiedoel en economisch belang voorbij de offerbereidwilligheid van dieren met zware consequenties voor hen op ieder niveau.

 

Bron: Marieke de Vrij (www.devrijemare.nl)

Geschreven: 130112

Gepubliceerd: 130211

Auteur: mh

Comment Section

0 reacties op “Dierenwelzijn en de bio-industrie 2

Plaats een reactie


*